familie Bisschop
Algemeen
Over mijn opa en oma Bisschop en hun voorouders (Bisschop, Sinning, de Goed) is de laatste jaren veel bekend geworden door de onderzoeken van Albert(us) Prins en zijn echtgenote/mijn nicht Anneke Alberta Bisschop. Graag verwijs ik naar de website: http://members.upc.nl/a.prins124/indexNED.htm
Veel van de onderstaande informatie op deze pagina is afkomstig van de bovengenoemde website of daaraan ontleend.
Inmiddels is duidelijk dat "de Bisschoppen" (via de Goed en dan via Barbara Riecken) van doopsgezinden uit Zwitserland afstammen.
Om godsdienstige redenen is de vader van Barbara Riecken in 1711 'gevlucht' naar de Nederlanden. Lees over deze "vlucht" van doopsgezenden eind 17e, begin 18e eeuw de tekstblokken "Onze Voorouders komen uit Zwitserland" en "De vlucht uit Zwitserland".
"Adellijk" bloed stroomt door onze/mijn aderen. Lees hier meer over in de tekstblokken: "De Adellijke afkomst" en "De Borgheer van Bellingeweer en het bedrogen Linnennaaistertje". Ook is zijn er lijnen van afstamming te vinden naar o.m. Karel de Grote (der Franken) en Abel Tasman. Hierover later meer.
Over het leven van Frederik Jakob Bisschop en Grietje Sinning en hun nazaten heb ik in 2005 een boek, "het (foto)boek van Frederik Jakob Bisschop en Grietje Sinning en hun nazaten" gemaakt. Het boek is in kleine kring verspreid. Veel van de informatie en de foto's in dit boek zijn afkomstig van oom Harm Frederik Bisschop. De afzonderlijke bladzijden zijn opgenomen in 2 webpagina's, de pagina's 16 en 17. Als je een bladzijde wilt opslaan op je eigen computer en vervolgens wilt afdrukken dan kun je dat het beste doen door de site van PICASA te gebruiken. open dan de link: http://picasaweb.google.nl/frederikwillembisschop .
"de/onze 'eerste' Bisschop"
Mijn ouds bekende voorvader is : Hendrik Geerts Bisschop, geboren omstreeks 1722.
In een stamreeks *) vertaald ontstaat het volgende beeld:
|
Frederik Willem Bisschop: geboren 2 juni 1944944,
zoon van Heine Harm Jakob Bisschop.
Heine Harm Jakob Bisschop: geboren 11 september 1907, overleden 9april 2000,
zoon van Frederik Jakob Bisschop.
Frederik Jakob Bisschop: geboren 28 maart 1877, overleden 27 nov. 1971,
zoon van Harm Frederik Bisschop.
Harm Frederik Bisschop: geboren 24 juli 1841, overleden 20 maart 1882,
zoon van Frederik Jan Bisschop.
Frederik Jan Bisschop: geboren 19 januari 1819, overleden ?
zoon van Jan Geerts Bisschop.
Jan Geersts Bisschop: geboren 1788, overleden 8 maart 1819
zoon van Geert Hendriks Bisschop.
Geert Hendriks Bisschop: geboren 1747 overleden ?
zoon van Hendrik Geerts Bisschop.
Hendrik Geerts Bisschop: geboren ongeveer 1722 overleden ?
zoon van ?????
*1) stamreeks: een lijst van mannelijke voorouders in de vaderlijke lijn. Dus de vader, de grootvader van vaderskant en zo verder. De tegenhanger ervan is de matriarchaal. Dat is een lijst met alle vrouwelijke voorouders van moederlijke lijn.
|
Een kwartierstaat *3) van mij, Frederik Willem Bisschop, is te bekijken door de onderstaande link aan te klikken:(kwartierstaat Frederik Willem Bisschop).
*3) kwartierstaat: een overzicht van alle voorouders van iemand, zowel in de mannelijke als in de vrouwelijke lijn. De kwartierstaat gaat uit van de probant. Deze heeft twee ouders, vier grootouders, achtovergrootouders, enzovoort.
Op de Genealogie page van de familie Prins is een actuele parenteel *2) van Hendrik Geerts Bisschop te vinden.
(http//members.upc.nl/aprins124/bisschop_gen/d1.htm).
*2) parenteel: Het omgekeerde van een kwartierstaat. Hierin worden alle afstammelingen weergegeven van een bepaalde persoon, zowel in mannelijke als in de vrouwelijke lijn. Afhankelijk van het aantal kinderen dat de betrokkene heeft kunnen dit zeer uitgebreide overzichten worden. Een beginnend genealoog wordt daarom aangeraden niet met een parenteel te beginnen.
Onze Voorouders komen uit
Zwitserland.
Onze voorouders komen uit Zwitserland. Bij overlevering was dat bekend. Tijdens familiebijeenkomsten hoorden we het verhaal van onze afkomst regelmatig van oom Harm Frederik Bisschop. In het (foto)boek van Frederik Jakob Bisschop en Grietje Sinning en hun nazaten is een door oom Harm handgeschreven versie van dit verhaal opgenomen
"In het Rijnland en elders in Duitsland tegen de Zwitserse grens woonden veel arme doopsgezinden, die gingen uitwijken naar Zwitserland voor een betere toekomst en bestaan. Dat was +/- 1650. Veel Duisers heetten toen BisSop, Gute, Lotze Leutscher etc. Toen ze daar goed en wel gezeteld waren gingen ze hun doopsgezinde godsdienst uitbreiden tot groot verdriet en verbazing van de Zwitserse regering en politiek. Er kwam opstand en de doopsgezinde mensen werden uit het land verdreven. Dit begon +/- 1700. Deze werden refugees genoemd. Refugees, (betekent vluchtelingen) die een toevluchtsoord opzochten en dat waren de kloosters die in Friesland en elders veelvuldig voorkwamen. In de provincie Groningen waren er al 20 kloosters. Daar werden, dank zij particulieren en de kloosters, de doopsgezinden liefdelijk opgevangen en verpleegd. Bij particulieren moest hard gewerkt worden tegen kost en inwoning. In de kloosters moesten zij iets van hun doopsgezinde geloof inleveren, geen wapens dragen, goed gekleed en voetwassen voor het Heilig Avondmaal en een beetje Katholiek worden. Zoals geschreven begon deze uittocht +/- 1700 en toen kwam als bekend Gert Heinrich Bisjof op 19 nov. 1747 ter wereld in Zevenhuizen en was een van de voorouders van Harm Frederik Bisschop, geb. 24 juli. 1841, overleden 20 maart 1882.
Voor de Goed begon deze uittocht op +/- 1700 en toen kwam als bekend Hans de Goed op 22 november 1735 ter wereld. Deze Hans de Goed was een van de voorouders van Grietje de Goed, geb. 1 april 1847, overleden 29 november 1940. Deze Harm Frederik Bisschop en Grietje de Goed trouwden op 30 januari 1875. in de Napoleontische tijd 1769-1821, toen Napoleon Nederland binnen viel plm. 1810-1815 kregen alle mensen wonende in Nederland nederlandse namen; Bisjof werd Bisschop etc. Vele vluchtelingen uit Zwirserland gingen zomers werke bij boeren (grasmaaien, hooien etc; naam werd hannekemaaier of hannesmanknecht (handlanger knecht) of bij vaklui timmerman schilder en keerden vaak als vrijgezel in de herfst terug naar huis of klooster. Ook gingen ze, waar ze werkten , trouwen en stichten in de provincie een gezin. Elk jaar kwam Harm Frederik Bisschop weer begin maart in Adorp te werken als hulp-timmerman bij Grietje de Goed, die, alleen , de timmerzaak met knechten behartigde. Grietje de Goed haar vader kwam heel jong te overlijden en besloten toen met haar moeder Jantje Braker de zaak te leiden in goede banen en dat lukte, totdat ze ging trouwen met Harm Frederik Bisschop wat maar bijna 7 jaar duurde en haar 4 kinderen schonk. op 28 jarige leeftijd was ze weduwe en is nimmer weer getrouwd en heeft de zaak gerund met meesterknechten totdat Frederik Jakob Bisschop volwassen was."
Uit de door Albert Prins de laatste jaren uitgevoerde Familieonderzoeken is inmiddels veel feitelijke informatie bekend geworden.
Mijn /onze afkomst uit Zwitserland is als volgt duidelijk te maken:
|
Frederik Willem Bisschop:
- geboren 6juni 1944.
Heine Harm Jakob Bisschop:
- geboren 11 september 1907, vader van Frederik Willem Bisschop.
Frederik Jakob Bisschop:
- geboren 28 maart 1877, vader van mijn vader Heine Harm Jakob Bisschop.
Harm Frederik Bisschop:
- geboren 24 juli 1841, vader van mijn opa Frederik Jakob Bisschop, getrouwd Grietje Jacobs
de Goed.
Grietje Jakobs de Goed:
- geboren 1 april 1847, was een dochter van Jacob Heines de Goed.
Jacob Heines de Goed:
- geboren 23 nov. 1821 te Hoogkerk, was een zoon Heine Jacobs de Goed.
Heine Jacobs de Goed:
- geboren 17 augustus 1792 te Hoogkerk, was de zoon van Jacob Hansz. de Goede.
Jacob Hansz de Goede:
- geboren 1743 te Zuidbroek ,was de zoon van Hans de Goed.
Hans de Goed:
- geboren 1710 trouwde 22 november 1735 met Barbara Daniels Riecken (Rykens;Rychen).
Barbara Daniels Riecken:
- geboren 1712 te Kalkwijk, Sappemeer, was een dochter van Daniel Rychen.
Daniel Rychen:
- geboren 16 december 1677 in Frutigen, Zwitserland en overleden in 1737 in Sappemeer, verhuisde/vluchtte in 1711 van Frutigen naar Nederland in het Óberlandische'schip met zijn vrouw en toen 3 zonen en 1 dochter, 1-6 jaren oud. Het gezin behoort tot de zogenaamde "Zwitserse doopsgezinden"die zich in 1711, omwille van hun geloof, Zwitserland verlieten en met boten de Rijn afzakten om naar Nederland uit te wijken.. |
De vlucht uit Zwitserland
"In het Rijnland en elders in Duitsland tegen de Zwitserse grens woonden veel arme doopsgezinden, die gingen uitwijken naar Zwitserland voor een betere toekomst en bestaan. Dat was +/- 1650. Veel Duisers heetten toen BisSop, Gute, Lotze Leutscher etc. Toen ze daar goed en wel gezeteld waren gingen ze hun doopsgezinde godsdienst uitbreiden tot groot verdriet en verbazing van de Zwitserse regering en politiek. Er kwam opstand en de doopsgezinde mensen werden uit het land verdreven. Dit begon +/- 1700. Deze werden refugees genoemd. Refugees, (betekent vluchtelingen) die een toevluchtsoord opzochten en dat waren de kloosters die in Friesland en elders veelvuldig voorkwamen. In de provincie Groningen waren er al 20 kloosters. Daar werden, dank zij particulieren en de kloosters, de doopsgezinden liefdelijk opgevanden en verpleegd. Bij particulieren moest hard gewerkt worden tegen kost en inwoning. In de kloosters moesten zij iets van hun doopsgezinde geloof inleveren, geen wapens dragen, goed gekleed en voetwassen voor het Heilig Avondmaal en een beetje Katholiek worden. Zoals geschreven begon deze uittocht +/- 1700 en toen kwam als bekend Gert Heinrich Bisjof op 19 nov. 1747 ter wereld in Zevenhuizen en was een van de voorouders van Harm Frederik Bisschop geb. 24 jul. 1841 overleden 20 maart 1882."
In Zwitserland werden de Doopsgezinden vervolgd. De vervolging begon al in de 16e eeuw en wel in de eerste plaats in de Zwingliaanse kantons. In de 18e eeuw namen de praktijken tegen hen gruwelijke vormen aan: zij werden opgejaagd en opgesloten. Martelingen waren geen uitzonderingen en vele van deze Doopsgezinden werden zelfs ter dood gebracht terwijl anderen voor de galeien verkocht werden. Hun goederen werden verbeurd verklaard. Door het ingrijpen van de Nederlandse Staten-Generaal op aandrang van de hoogst verontruste Doopsgezinden in ons land, kregen enkele honderden geloofsgenoten in 1711 verlof om met vrije beschikking over hun goederen Zwitserland te verlaten. Deze groep kwam naar Nederland in vier schepen. Na hun aankomst in Amsterdam werden zij over verschillend Doopsgezinde gemeenten in ons land verspreid. Zo kwam ook een gedeelte in Groningen, onder andere in Hoogezand-Sappemeer. Een dergelijke uittocht schijnt zich in 1714 nog eens herhaald te hebben, want toen kwam ook Samuel Peter met zijn vrouw, Barbara Freij naar Hoogezand-Sappemeer. Naar zijn geboorteplaats noemde hij zich Meihuser. Hij werd de stamvader van de Meihuizens en vele andere geslachten in ons land. Samuel Peter overleed in 1758 te Kalkwijk. Deze en andere gegevens zijn ontleend aan het Stamboek der Nakomelingen van Samuel Peter of Samuel Meihuizen en Barbara Freij een werk uitgegeven door J. Huizinga.
Emigraties van Zwitserse Dopersen naar Nederland
bron: kwartierstaat A.M. Pieke te Hoofddorp
"........ In de 16e en 17e eeuw was er nauwelijks contact tussen de Nederlandse en Zwitserse Mennonieten. Maar toen de Nederlandse Doopsgezinden rond 1640 hoorden over de vervolgingen van hun geloofsgenoten in het kanton Bern, hebben zij zich hun lot aangetrokken. De Nederlandse Mennoniet Adolph de Vreede bezocht Bern en ook door tussenkomst van de Nederlandse Staten Generaal (Frans Fagel) werd getracht om het lot van de Zwitserse Mennonieten te verbeteren. Deze interventie had echter weinig effect en vooral in het kanton Bern verslechterde de situatie. De autoriteiten in Bern wilden alle Mennonieten van hun grondgebied verwijderen vanwege hun weigering voor de militaire dienst en omdat zij zich niet wilden aansluiten bij de Zwitserse Staatskerk.
In 1660 hadden de Nederlandse Doopsgezinden het "Fonds voor Buitenlandse Nooden" ingesteld, teneinde hun Zwitserse broeders naar Nederland te krijgen, Op initiatief van de Rotterdamse Mennoniet Jan van Ranst kwam in 1761 het voorstel om de Zwitserse broeders naar Nederland te brengen.
Een klein aantal Zwitserse Mennonieten schijnt al in het begin van 1660 naar Nederland te zijn geëmigreerd en zich in de provincie Groningen te hebben gevestigd. Zwitserse broeders uit de Palz zouden zich toen ook al bij de stad Groningen hebben gevestigd.
In maart 1710 vond een gedwongen scheepstransport plaats van Mennonieten uit Bern, met als bestemming de Engelse kolonies in Noord-Amerika. Op 18 maart 1710 werd deze groep bij aankomst in Nijmegen, op last van de Nederlandse regering ontscheept en vrijgelaten. Bijna al deze Dopersen kwamen uiteindelijk terecht in de Palz in Duitsland.
In 1711 werd een grote uittocht uit Zwitserland ondernomen. Kort daarvoor hadden de Zwitserse Dopersen nog een aanbod afgeslagen van koning Frederik I van Pruisen om zich in zijn land te vestigen. Bij de uittocht in 1711 heeft de Nederlandse ambassadeur in Zwitserland: Johan Ludwig Rünckel een belangrijke rol gespeeld. Hij organiseerde deze gehele uittocht uit Bern. Uit de bekend gebleven inschepingslijsten van deze boottocht naar Nederland blijkt dat diverse schepelingen in Zwitserland gevangen geweest waren. Ook maakten diverse mensen deze uittocht mee, die op dat moment nog gereformeerd waren.
Een geschil tussen de volgelingen van Hans Reist en de Amish-groep had een ongunstige invloed op een succesvolle emigratie. De Reist-groep weigerde zich in te schepen op hetzelfde schip als de Amish-groep en dit bezorgde Ambassadeur Rünckel nogal wat hoofdbrekens.
Uiteindelijk vertrokken 363 mensen op 13 juli 1711 vanuit Bern in vier schepen naar Amsterdam. Deze schepen waren genaamd:
-Emmenthaler
-Oberlander
-Thuninger
-Neuenburger
Op het schip Emmenthaler hadden de meeste ex gevangenen zich aangemonsterd.
Op 18 juli 1711 werd Basel aangedaan, op 24 juli Mannheim, op 2 augustus Muiden en op 3 augustus 1711 arriveerden de vier schepen in Amsterdam. In het Duitse Breisach hadden onderweg nog 13 mensen de schepen verlaten.
In Amsterdam aangekomen werden de Zwitsers in vier groepen verdeeld en vertrokken zij op 20 augustus 1711 naar:
-Harlingen: 21 volgelingen van Hans Reist
-Groningen: 126 personen
-Kampen: 87 personen
-Deventer: 116 personen.
Enkelen bleven in Amsterdam achter. Vanuit Kampen en Deventer trokken diverse immigranten later ook weer door naar Groningen. Sommigen kwamen hier aan zonder bezittingen, anderen hadden hun geld meegenomen, soms aanzienlijke bedragen.
In Groningen zette de ouderling Alle Derks zich erg actief in voor de vluchtelingen en in Deventer hielp Steven Cremer hen.
De leden van de Groningen-Sappemeer groep, daarna nog aangevuld met nieuwe immigranten, hielden hun godsdienst-oefeningen in de stad Groningen en bij Sappemeer. Na 1717 vertrok een aantal van hen naar Amerika, hierbij financieel ondersteund door de Nederlandse Doopsgezinden..........."
De Adellijke afkomst
Op 4 maart 1763 werd in 's Gravenhage Johanna Allegonda Poeles geboren. Zij was de dochter van Reinier Poeles, hellebardier (man gewapend met lans of piek met dwarsbijl) en koetsier van Zijne Koninklijke heer Willem, Prins van Oranje, op het Loo. Johanna Allegonda werkte en woonde in 1781 bij Sikko Douwes, Baron van Aylva, grietman (bestuurder en rechter) van West Dongeradeel. Op zekere dag kwam daar Frans Onno, Baron van Sijtzama logeren. Johanna Allegonda werd uitgenodigd om in Bellingeweer te komen logeren, hetgeen geschiedde. Zij verbleef daar enkele weken op de borg. Tijdens de logeerpartij vroeg "de heer van Bellingeweer" haar ten huwelijk en gaf haar zijn zegel als bewijs van trouw. Deze plechtige trouwbelofte werd gedaan in aanwezigheid van de Duitse timmerman van de heer van Bellingeweer, Johan Berent Bruns. Tot een huwelijk is het echter nooit gekomen. Wel baarde, op 3 oktober 1782, Johanna Allegonda een gezonde dochter. Het kind werd door Frans Ono van Sijtzama erkend en kreeg zijn naam: Geertruida Foeck van Sijtzama.
|
Geertruida Foeck van Sijtzama: geboren 3 oktober 1782, trouwde Daniel Geuzendam, uit dit huwelijk werden 4 kinderen geboren waaronder Jan Daniels Geuzendam.
Jan Daniels Geuzendam: geboren 27 augustus 1807, trouwde Grietje Jakobs Pettinga, uit dit huwelijk werden 2 kinderen geboren waaronder Albarta Jakoba Geuzendam.
Albarta Jakoba Geuzendam: geboren +/- 1851, trouwde Berend Sinning, uit dit huwelijk werden 8 kinderen geboren waaronder Grietje Sinning.
Grietje Sinning: geboren 20 oktober 1882, trouwde Frederik Jakob Bisschop, uit dit huwelijk werden 4 kinderen geboren waaronder Heine Harm Jakob Bisschop.
Heine Harm Jakob Bisschop: geboren 11 september 1907, trouwde Wilhelmina Harsema, uit dit huwelijk werd geboren Frederik Willem Bisschop.
Frederik Willem Bisschop.
|
De Borgheer van Bellingeweer en het Bedrogen Linnennaaistertje
In het gemeentearchief van Winsum bevindt zich een stuk, waarin wordt beschreven hoe vreemd de heer van Bellingeweer, Frans Onno Baron van Sijtzama (1734-1795), is omgesprongen met huwelijksbeloften jegens de linnennaaister Johanna Allegonda Poeles (1763-1818). Het stuk is ongetekend en ongedateerd en is kennelijk bedoeld als een verklaring van deze vrouw en als aanzet voor een rechtszaak. Het is echter niet bekend of het ooit zover gekomen is.
De Borgheer van Bellingeweer en het Bedrogen Linnennaaistertje
Het Huis Bellingeweer of Tammingaborg bestond al in de 16e eeuw. In het begin van de 18e eeuw kwam de borg in het bezit van Wilhelmina Tamminga, weduwe van Frans Eysinga van Burmania. Zij vestigde zich met haar beide dochters op Bellingeweer. In het boek ‘Ommelander Borgen en Steenhuizen’ van dr. W.J. Formsma en anderen staat dat de jongste dochter, Geertruid Foeck van Burmania, in 1732 in tweede huwelijk trouwde met Pier Willem van Sijtzama, een vurig aanhanger van de Oranjepartij. Hij overleed als lid van de Staten-Generaal in 1759 te Den Haag. Zijn opvolger was zijn zoon Frans Onno, die omstreeks 1795 ongehuwd overleed. Tijdens diens leven werd in 1762 een nieuwe borg gebouwd.
Frans Onno van Sijtzama overleed ongetrouwd, maar niet zonder kinderen. Hij verwekte een natuurlijk kind bij Johanna Allegonda Poeles. In 1846 overleed te Winsum Geertruid Foeck van Sijtzama, daglonersvrouw, geboren omstreeks 1783 in Westfalen als dochter van Johanna Allegonda Poeles, naaister te Winsum; deze vrouw heeft kennelijk eerder genoemd stuk laten opstellen. Haar naam was volgens dat stuk Johanna Allegonda Poeles, linnennaaister, geboren te ‘s Gravenhage op 4 maart 1763 en overleden te Obergum op 9 december 1818. Zij was een dochter van Reinier Poeles, hellebaardier en koetsier van Zijne Koninklijke Heer Willem, Prins van Oranje, op het Loo (1711-1781) en Catharina Johanna van Vliet. Johanna Allegonda verklaarde in het stuk dat zij werkte en woonde bij Sikko Douwes, Baron van Aylva (1734-1807, ongehuwd), grietman van West-Dongeradeel. Op zekere dag kwam daar Frans Onno, Baron van Sijtzama logeren. Johanna Allegonda werd uitgenodigd om in Bellingeweer te komen logeren, hetgeen geschiedde. Zij verbleef daar enkele weken op de borg. Tijdens de logeerpartij vroeg de heer van Bellingeweer haar ten huwelijk en gaf haar zijn zegel als bewijs van trouw. Deze plechtige trouwbelofte werd gedaan in aanwezigheid van de Duitse timmerman van de heer van Bellingeweer, Johan Berent Bruns.
Om haar zaakjes te regelen bracht de Bellingeweerster borgheer haar zelf terug naar Friesland. Afgesproken werd dat zij op 5 december 1781 weer naar Bellingeweer zou komen. Toen zij terug was op de borg werd al gauw de beloofde trouwdatum met allerlei smoesjes op de lange baan geschoven. Johanna Allegonda raakte zwanger maar de trouwdatum werd steeds uitgesteld. Toen haar tijd gekomen was probeerde de heer van Bellingeweer haar met geld af te schepen en haar terug te laten gaan naar Friesland. Het linnennaaistertje kreeg al gauw door dat de borgheer zijn belofte niet na wilde komen. Hij had haar het cachet van trouw weer afgenomen.
"Op de eenentwintigste september kwam de meester van Winsum bij mij uit naam van de heer van Bellingeweer. Sij tegen mij, als dat mijn heer wou hebben, dat ik na Vriesland zou gaan. Ik sij dat ik het niet wou doen, want dat de heer van Bellingeweer vader was en dat die ook het kindt moest hebben. Dan moest mijn heer u toe de deur uyt jagen, sij de Meester tegen mij. Ik sij: dat moet mijnheer dan maar doen, als hem dat goed dunkt; hier is de plaatst voor mij en mijn kindt."
Volgens het stuk werd toen de timmerman gevraagd of hij het kind in de kost wilde hebben, maar de linnennaaister wilde het kind niet afstaan. Zij werd ziek en naar bed gebracht,
" ... onder bescherming van de keukenmeydt en van Johan (de timmerman) en van de meester van Winsum, want ik was magteloos om alleen heen te gaan."
De dokter werd geraadpleegd en hij adviseerde haar een regeling te treffen met de borgheer. Zij verliet de borg en ging met de timmerman mee om vanuit diens huis op reis te gaan. De borgheer pakte haar spullen in, zorgde voor de nodige kinderkleertjes en beloofde de timmerman de zaak financieel te regelen. Op 23 september werd de linnennaaister door de timmerman Johan Berent Bruns en door de hovenier Jan Henderiks in het rijtuig van de dokter naar de stad gereden. De borgheer van Bellingeweer deed hen uitgeleide tot aan het Bedumer verlaat.
"Ons afscheydt was op het moment zeer aandoenlijk."
Vanaf de stad ging ze, samen met de timmerman, verder naar Westfalen, waar ze op 27 september aankwam. Gedurende haar afwezigheid was er een geregelde briefwisseling tussen haar en de borgheer. Op 3 oktober werd (in Lathen, Dld) haar dochter geboren,
" ... dewelke op versoek van de heer van Bellingeweer na sijn moeder is genoemt, Geertruid Foek. De 5 october heeft Johan het onder de doop gehouden in de plaats van de vader, dog de heer van Bellingeweer staat als Vader te Boek. Ik heb een doopsceduul genoomen en bewaart toen ik weer aan de Borg kwaam."
Op 15 oktober ging ze, nog steeds in gezelschap van de timmerman, weer op reis, terug naar Bellingeweer, waar ze op 16 oktober aankwam. Ze gaf de doopsceduul aan de borgheer en die nam haar ook de brieven, die hij geschreven had, weer af. Ze besloot toen weg te gaan en ging naar de meester van Bellingeweer. De borgheer haalde haar echter terug en beloofde haar andermaal in april te zullen trouwen. Maar de trouwdag werd weer van dag tot dag uitgesteld. In het stuk staat daarover:
"Ik ging na Westerwiek sijn huys op een avond en sliep daar een nacht; ‘s Morgens ging Monsieur Westerwiek voor mij na de Borg en vroeg aan de Heer van Bellingeweer of ik maar mijn goed sou halen. Ja, sij de Heer van Bellinge-weer. Westerwiek was pas te huys of de keukenmeyd was al bij mij uyt naam van de Heer van Bellingeweer en sij: Juffer, mijnheer heeft gesijt, als gy so weer aan de Borg gelieft te komen als gij er geweest sijt, dan kunt gij weer komen en anders is U goed tot U dienst."
De linnennaaister is toen met de vrouw van Westerwiek naar de borg gegaan om haar goed af te halen. Opnieuw deed toen de borgheer trouwbeloften en hij beloofde dat schriftelijk vast te leggen. Het stuk besluit dan met de verzuchting:
"Dog tot mijn leedwezen moest ik ondervinden, dat ook deese hoewel schriftelijke beloften even weynig als alle voorgaande eeden en beloften wierden nagekomen. Ik, siende, dat ik niet anders kon, so heb ik mijn toevlugt tot mijn competente Regter genomen, onder welkens bescherming ik mij, met mijn lieffe kind begeef, hopend dat het hun Ed. Mogende goedgunstig moge behagen mij so spoedig mogelijk is Regt te doen wedervaren."
Of het ooit zo ver is gekomen is niet bekend. Waarschijnlijk niet, want beiden zijn nog jaren lang ongehuwd in Winsum blijven wonen. Frans Onno van Sijtzama is in 1795 overleden. Eerst op 7 maart 1802 is Johanna Allegonda Poeles te Obergum gehuwd met Jan Alberts Prins, koopman, geboren te Westernieland. Deze schijnt weer spoedig te zijn overleden en zij huwde met Jan Alberts Zwart, dagloner te Obergum.
Na dienstbetrekkingen in Leer en Lingen trouwde Geertruid Foek op 18-jarige leeftijd op 28 juli 1800 in Winsum met Daniël Geusendam. Deze was afkomstig uit Yperen (België) en was schoolonderwijzer te Bellingeweer. Hij overleed in 1808 waardoor de vrouw in behoeftige omstandigheden kwam. Zij overleed, 64 jaar oud, als daglonersvrouw te Winsum. Uit het huwelijk werden vier kinderen geboren, drie dochters en een zoon.
P. Noord
© Historische vereniging Winshem
Winshem september 1996 jaargang 1 nummer 1
http://www.winshem.nl/1996/borgheer/borgheer.htm
In het jaarverslag van het Groninger Museum is in het hoofdstuk "Aanwinsten"onderdeel "Prentenkabinet- Oude Geschiedenis" op bladzijde 9 te lezen:
FRANS ONNO BARON VAN SIJTZEMA, HEER VAN BELLINGERWEER EN JOHANNA ALLEGONDA POELES 1794, BEWERKTE GRAVURE.
Tot de kleine schandalen van de late 18e eeuw behoorde de relatie tussen de heer van Bellingeweer en een linnenmeisje. Doordat het linnenmeisje een aantal documenten bewaarde bleef haar belevenissen goed bekend. De Heer van Bellingeweer had haar het hof gemaakt en toen ze zwanger werd beloofd te trouwen. Hij kon, mogelijk vanwege zijn familie, die belofte niet gestand doen. Allegonda moest in Westfalen bevallen van zijn speelkind en kwam met haar dochter terug in Bellingeweer. Ze maakte nog steeds aanspraak op zijn huwelijksbelofte, maar tot een bruiloft kwam het niet. Met een uitvoerige verklaring stelde ze haar lot in de handen van het gerecht. De uitslag daarvan werd niet gevonden, maar was vast niet gunstig. Maar het lijkt er op dat zonder huwelijk de relatie weer werd opgepakt. In elk geval huwde de Heer van Bellingeweer geen andere - betere - partij. Als herinnering aan deze affaire bezat Allegonda een met waterverf en inkt bewerkte gravure in een ronde lijst. Op de gravure zitten twee personen in een klein zeilbootje. Aan het roer een heer in rode jas met zwarte steek en tegenover hem een dame met hondje op de schoot en een parasol. Het bootje voert de Britse vlag zodat de gravure wel in Engeland zal zijn gedrukt. Engelse gravures waren in de 18e eeuw in Nederland niet onbekend en konden zo ook uitgangsmateriaal vormen voor een dergelijke plaat. Ten onrechte werd de plaat in later tijd aangezien voor een aquarel. Langs het boord van het bootje stond een uitvoerig opschrift Frans Onno Baron van Sijtzema, Heer van Bellingerweer en Johanna Allegonda Poeles 1794. Een jaar later was de heer van Bellingeweer overleden. Het speelkind van de heer van Bellingeweer, vernoemd naar zijn moeder Geertruide Foek van Burmania, kreeg twee kinderen van een verder niet bekende vader. De één noemde ze Jakomina van Burmania en de andere Frans Onno Sijtsema. De bewerkte gravure vererfde met de documenten in de familie van deze Frans Onno Sijtsema totdat ze dit jaar het Groninger Museum werden aangeboden. De gravure was in een slechte toestand en vastgeplakt op een glasplaat. Als de gravure niet bewerkt was tot een monumentje van een Groninger romance tussen de adel en een linnenmeisje was een restauratie niet de moeite waard geweest. Hoewel dergelijke romances vermoedelijk niet ongebruikelijk waren, getuigen maar weinig documenten over concrete zaken, terwijl beeldmateriaal al helemaal zeldzaam is. Het Groninger Museum verwierf met deze plaat een bijzonder stukje sociale geschiedenis.
Zie ook de relevante link:
http://www.groningermuseum.nl/uploads/jaarverslag%202002.pdf
Het monsterproces van Faan.
Het monsterproces van Faan vond plaats, in de achttiende eeuw, in het Gronings dorpje Faan (ten oosten van Niekerk). 30 mannen uit Faan en omstreken werden schuldig bevonden aan homosexueel gedrag en 21 mensen werden daarvoor ter dood veroordeeld. Onder hen een voorvader van mij t.w. Jan Harms Braker. *)
Op 24 september 1731 is hij samen met de 20 anderen in Zuidhorn ter dood gebracht door wurging aan de paal en daarna zijn zij allen op een brandstapel verbrand.
Sodomie (homosexueel gedrag) werd in het begin van de 18e eeuw gezien als een misdaad tegen de natuur. De vervolgingen die vanaf 1730 plaatsvonden, begonnen met één enkel geval, in Utrecht. Degene die toen gearresteerd werd gaf de namen van sodomieten in het hele land, waardoor er in allerlei plaatsen sodomieten gearresteerd werden. Het bleek dat de sodomieten een waar netwerk door het land hadden, met verschillende ontmoetingsplaatsen, en dat ze elkaar allemaal kenden. Een groot deel van de vervolgden in de periode 1730-1733 kwam echter uit één gerechtsdeel, Oosterdeel-Langewold, in de provincie Groningen. Hier heeft een massale vervolging plaatsgevonden, die geleid werd door grietman Rudolf de Mepsche **), ondersteund door een andere grietman, Menso Alting. Tijdens de vervolging werden er meer dan dertig jongens en mannen uit ’t Faan en omstreken opgepakt. Tweeëntwintig werden ter dood veroordeeld, twee stierven tijdens het verhoor.
Jan Harms Braker, zoon van Harmen Jansen en Styntje Gerrits, geboren dinsdag 29 september 1693 of woensdag 29 september 1694, is terechtgesteld op maandag 24 september 1731 te Zuidhorn. Jan werd hoogstens 37 jaar, 11 maanden en 26 dagen.
Jan was keuterboer op de Garst en schijneigenerfde van Clant van Hanckema, in 1728 landdagcomparant voor zijn dorp.
Jan Harms Braker werd op donderdag 31 mei of vrijdag 1 juni 1731 in hechtenis genomen door Rudolf de Mepsche en gevangen gezet in de kelder van het huis Bijma te Faan of in het schathuis. Tesamen met nog 20 mannen tussen 15 en 48 jaar is hij schuldig bevonden aan homosexueel gedrag en daarvoor ter dood veroordeeld. Op 24 september 1731 is hij samen met de 20 anderen in Zuidhorn ter dood gebracht door wurging aan de paal en daarna zijn zij allen op een brandstapel verbrand.
**)
Een grietman (letterlijk: hij die groet) is deels een voorloper van de huidige plattelandsburgemeester in de provincie Friesland, en deels de voorloper van een rechter, min of meer vergelijkbaar met de huidige kantonrechter. In die laatste functie kwam het begrip ook voor in het Westerkwartier in de provincie Groningen.
*) Jan Harms Braker is de 6e overgrootvader van Frederik Willem Bisschop.
|
- Frederik Willem Bisschop: geboren 02-6-1944,
- zoon van Heine Harm Jakob Bisschop.
- Heine Harm Jakob Bisschop: geboren 11-09-1907, overleden 27-09-1997.
- zoon van Frederik Jakob Bisschop.
- trouwt: Wilhelmina Harsema; uit dit huwelijk 1 kind, zijnde Frederik Willem Bisschop.
- Frederik Jakob Bisschop: geboren 26-03-1877, overleden 27-11-1971.
- zoon van Grietje Jakobs de Goed.
- trouwt Grietje Sinning; uit dit huwelijk 4 kinderen w.o. Heine Harm Jakob Bisschop.
- Grietje Jakobs de Goed: geboren 01-04-1847, overleden 29-11-1940.
- dochter van Jantje Luitjens Braker en Jakob Heines de Goed.
- trouwt Harm Frederik Bisschop; uit dit huweijk 4 kinderen w.o. Frederik Jakob Bisschop.
- Jantje Luitjens Braker: geboren 03-09-1813, overleden 23-06-1903.
- dochter van Luitje Gerrits Braker.
- trouwt Jakob Heines de Goed; uit dit huwelijk 6 kineren w.o. Grietje Jakobs de Goed
- Luitje Gerrits Braker: geboren 1774, overleden 18-09-1845.
- zoon van Gerrit Harms Braker.
- trouwt Grietje Freeks Dijkstra; uit dit huwelijk 5 kinderen w.o. Jantje Luitjens Braker.
- Gerrit Harms Braker: geboren 06-1743, overleden ?.
- zoon van: Harm Jans Braker.
- trouwt Teuske Jans De Waai; uit dt huwelijk 2 kinderen w.o. Luitje Gerrits Braker.
- Harm Jans Braker: geboren 03-1719, overleden 22-11-1782.
- zoon van: Jan Harms Braker.
- trouwt Ziertjen Gerrits Olthof; uit dit huwelijk 3 kinderen w.o. Gerrit Harms Braker.
- Jan Harms Braker: geboren 29-09-1693, overleden 24- 09-1731, zoon van Harmen Jansen en Styntje Gerrits.
|
Zie voor meer informatie de onderstaande websites:
http://kunst-en-cultuur.infonu.nl/geschiedenis/40476-het-monsterproces-van-faan.html
http://members.home.nl/w.quant/monsterproces.htm
http://nl.wikipedia.org/wiki/Rudolf_de_Mepsche
*) Jan Harms Baker is de 6e overgrootvader van Frederik Willem Bsschop.